Hypeocratie! Maar dan anders

Standaard

Soms is het schrijven van een nieuw boek een interessante worsteling met het onderwerp. In 2013 heb ik veel opzij geschoven om eindelijk tijd te hebben voor Hypeocratie!. Het idee voor een boek over technologietrends lag al een tijdje te sudderen, voortkomend uit de vraag: “Waarom begrijpen we technologie niet?”, met als werktitel “Technology Barriers”. 

Hypeocratie! begon ook met het volgen en duiden van de belangrijkste technologietrends. De notitieboeken op Evernote liepen (en lopen) aardig vol met interessant bronmateriaal. Het thema “Privacy & Anonimiteit” werd met de Snowden-onthullingen extreem actueel, maar werd daardoor ook een thema waar nog nauwelijks een afgerond verhaal over te schrijven is. 

Afgelopen november participeerde ik in de jaarlijkse schrijversgekte, NaNoWriMo genaamd. NaNoWriMo is een hype in zichzelf, met tienduizenden schrijvers die zich richting de grens van 50.000 woorden begeven. En ja, ik heb die grens ook gehaald. 😀

Een maand “free flow” schrijven over onderwerpen en thema’s voor Hypeocratie!, en dan maar zien waar ik op uit zou komen. Gaandeweg de maand merkte ik dat het boek van karakter begon te veranderen, van een boek over technologietrends in een boek over vrije wil en de relatie mens, maatschappij en technologie. Dankzij NaNoWriMo vielen de laatste stukjes voor het boek op hun plaats. Hypeocratie! is straks een serie verkenningen, een combinatie van filosofie, technologie- en maatschappijkritiek en concrete handvatten voor digitale geletterdheid, voor het beoordelen en wegen van technologische innovaties en voor verbetering van het onderwijs.

Goed, er ligt nu een lap ruwe tekst van ruim 50.000 woorden. De volgende klus is het herlezen van al dat materiaal (en waarschijnlijk schrikken van de inhoud, stijl, spelling en grammatica) en dat terugbrengen tot  relevante en zinvolle tekst. In de ruwe tekst zitten verschillende modellen die verder uitgewerkt moeten worden en getoetst aan de technologietrends. Als het een beetje mee zit draai ik straks een project rond digitale geletterdheid op een MBO-school en de resultaten daarvan komen ook in het boek terecht. 

Hoe spring je als onderwijs vroeg genoeg in op de volgende technologiehype?

Standaard

In de grote wereld van technologische innovatie gebeuren spannende dingen. Google maakt zich inmiddels erg druk over onze levensduur, waarbij ik me wel afvraag wat voor commerciĂ«le (meer)waarde dit voor de grootste advertentiekoper ter wereld kan hebben. Misschien iets van: “Hoe langer we leven, des te langer heeft het opgebouwde informatieprofiel een commerciĂ«le waarde”? In ieder geval is het spannend, de wereld van transhumanisme en singulariteit. Big Data, ook zo’n facinerend domein, en kunnen we nog wel even doorgaan. Voor Hypeocratie hou ik meerdere trends in de gaten, en vooral de beloften die ze met zich meebrengen. “In de toekomst zal…”. Als je het vervolgens hebt over aansluiting van het onderwijs op de samenleving, en je ziet het toegenomen belang van verschillende technologieĂ«n in ons leven, dan lijkt het zo logisch om te streven naar een onderwijssysteem dat razendsnel mee kan schakelen. Immers, de ontwikkelingen ’buiten’ volgen elkaar ook steeds sneller op. En voilĂĄ, de iPad-scholen zijn geboren onder aanvoering van de man die ook met Newconomy al zo succesvol was. In ieder geval zijn de deelnemende scholen razendsnel op de trein van de iRevolutie gesprongen, aangevuld met ’nieuwigheidjes’ zoals meer nadruk op zelfstandig leren door de leerlingen (met de docent als coach/begeleider) en een verlengde schooldag. Nee, de leerlingen die in september 2013 op een iPad-school zijn begonnen zijn in juni 2027 klaar voor de arbeidsmarkt als hoogwaardige kenniswerkers.

Begin juli mocht ik aanschuiven bij een ronde tafel in de Tweede Kamer over digitalisering van het onderwijs. In de position paper die aangeleverd moest worden schreef ik over het inspringen op technologiehypes het volgende:

De overheid (moet) er op de eerste plaats voor waken dat de ene na de andere technologiehype maar een plaats moet krijgen in het onderwijs uit angst dat we aansluiting met de rest van de wereld verliezen of onze kinderen niet voldoende toerusten voor de 21e eeuw. Mijns inziens zouden de overheid en onderwijsinstellingen zich moeten richten op de fundamenten: de educatieve technologie-architectuur en -infrastructuur; de opleiding van docenten; en, een brede verankering van digitale geletterdheid in het curriculum.

Ik kan vrij eigenwijs zijn in een gezelschap dat bij elkaar zit om te laten zien hoe snel en makkelijk nieuwe technologieën in het onderwijs kunnen landen (inclusief een vertegenwoordiger van de iPad-scholen die geen iPad-scholen meer mogen heten). In de paper riep ik ook iets over wat wel prioriteit moet krijgen:

Mijns inziens zouden de overheid en onderwijsinstellingen zich moeten richten op de fundamenten: de educatieve technologie-architectuur en -infrastructuur; de opleiding van docenten; en, een brede verankering van digitale geletterdheid in het curriculum.

Eigenwijs zijn is prima (soms in ieder geval), maar het is wel prettig als jouw bespiegelingen op een gegeven moment steviger verankerd kunnen worden. Ik was dus erg blij met het rapport Mapping and Analysing Prospective Technologies for Learning: Results from a consultation with European stakeholders and roadmaps for policy action (MATEL) van het Institute for Prospective Technological Studies (IPTS). De eerste beleidsaanbeveling van dit adviesorgaan van de Europese Commissie luidt namelijk:

The first key policy message that the MATEL study brings to the policy making and research community is the need to always consider the introduction and implementation of technologies in learning in relation to the dynamics, evolution and needs of learning systems. Learning takes place in a complex ecosystem where one must be aware of technology trends and not be “technology driven”. From this perspective, policy making should not be led astray by “fashionable” technologies with the risk of massive cyclical technological investments that have little effect on changing the way learning happens.

Het onderwijs en leermethoden moet centraal staan en niet de ’hype du jour’, hoe mooi en nuttig die ook op het moment kan lijken. De noodzaak van de technologie-architectuur en -infrastructuur komt aan bod in de tweede aanbeveling:

The second key policy message that MATEL delivers is that the world of technologies is also a complex ecosystem with strong interdependencies, which must be taken into account to ensure effectiveness of technology implementation in learning. This is a key aspect to be considered when planning the introduction of a specific technology in learning (and goes hand in hand with the need for technology “awareness” rather than “trendiness” mentioned above). A fragmented, technology-by-technology approach is likely to fail; a system view is no less necessary when planning technology adoption than it is in when we are trying to transform education.

Het aspect Digitale geletterdheid is gelijk meegenomen door de genoemde noodzaak voor ’technology awareness’. Het derde beleidsadvies heeft betrekking op de uiteindelijke incorporatie van technologieĂ«n in het onderwijs:

The third and final key message of MATEL relates to the fact that most of the key MATEL technologies were not developed, in the first instance, with learning purposes in mind. The “not invented here” attitude explains – to some extent – the “resistance to adoption”, especially in formal education where the “push” of technologies without embedded learning quality approaches is often perceived as a risk which could turn learning into a superficial and possibly meaningless experience. Attention should be focused on developing professional profiles able to ensure a meaningful use of technologies in learning, such as designers able to: adapt technologies to learning purposes; anticipate the needs of practitioners; understand and face the concerns of practitioners.

Dit sluit aardig aan bij het derde punt uit mijn position paper. Niet alle technologie is ontworpen voor het onderwijs en sluit dus ook niet automatisch aan. Mijn oplossing is dat docenten beter worden toegerust op het gebruik van welke technologie maar ook door een betere digitale geletterdheid.

Wat betekent deze studie voor de iPad-scholen? Een van de praktische adviezen is het opstarten van projecten rond onderwijs met behulp van mobiele apparaten en dat lijkt me meer dan zinvol. Maar dan de volgende opmerking:

Interoperability is a key area of concern and should be researched further to ensure a smooth ecosystem of technologies is available to support learning transformation.

De noodzaak van soepele uitwisseling van informatie en gegevens in een omgeving met meerdere typen apparaten en technologieën moet inderdaad centraal staan. Interoperabiliteit is een randvoorwaarde, evenals het gebruik van open standaarden. Tja, dan kom je niet ver met de iTunes-silo.

De MATEL-studie heeft gekeken naar technologieĂ«n die de komende vijf tot tien jaar een rol kunnen spelen in en rond het onderwijs, zowel het formele onderwijs als het beroepsgerichte onderwijs. En dan was er ook nog een focus op die technologieĂ«n die echt een band met het onderwijs hebben, zoals mobiele apparaten, gaming, open eductional resource, ePortfolios et ceterea. De aansporing om voorzichtig te zijn met ’fashionable technologies’ gaat niet eens over de bredere technologiehypes die op ons afkomen, dus hoe voorzichtig moet je als onderwijs daar dan wel niet mee omgaan. De studie is een ’ must read’ en gaat voor Hypeocratie nog goed doorgespit worden.

Natuurlijk is het essentieel om in de slotfase van een opleiding scherp aan te sluiten bij de actuele behoeften van de samenleving en de arbeidsmarkt. Maar daar hoef je niet mee te beginnen in groep 1 van de Basisschool. Het onderwijs moet geen deel uitmaken van de Hypeocratie, maar moet ons toerusten verstandig en zinvol om te gaan met de processen van voortdurende technologische evolutie of – innovatie.

Computers maken docenten en leerlingen minder creatief

Standaard

Gisteren ben ik begonnen met het lezen van The Cult of Information van Theodore Roszak (1986) en daar stond in het voorwoord een interessant punt:

“At a time when computers are being intruded massively upon the schools, that distinction (=verschil tussen informatieverwerking door computers en mensen) needs to be kept plainly in view by teachers and students alike. But thanks to the cultlike mystique that has come to surround the computer, the line that divides mind from machine is being blurred. Accordingly, the powers of reason and imagination which the schools exist to celebrate and strengthen are in danger of being diluted with low-grade mechanical counterfeits”.

En dat al in 1986 ;).

Quantified Self: digitaal dagboek vol cijfers?

Standaard

Heb je wel eens een dagboek of ‘journal’ bijgehouden? De ‘personal development guru’s’ zweren er bij: stel jezelf doelen, werk hard om die doelen te bereiken, leg alles onderweg vast in een dagboek en lees vervolgens periodiek eens terug hoe goed je bezig bent. In essentie komt Quantified Self (QS) op hetzelfde neer en het is ook niet vreemd dat ‘Life Logging’ een synoniem is.

Wat is QS dan? Simpel gezegd is QS het gestructureerd vastleggen van (een deel van) jouw gedrag, met als doel daar meer inzicht in te krijgen. Hierdoor kun je je gedrag bijsturen om een gewenst doel te bereiken. Om het wat concreter te maken: je wilt afvallen maar je snapt niet waarom je te zwaar bent. Je eet toch best gezond, beweegt toch genoeg? Een periode meten levert dan de harde cijfers op om die eerdere vraag met “Nee!” te beantwoorden. QS komt daarmee grotendeels neer op preventieve zelfzorg, terwijl E-health eerder betrekking heeft op het ‘loggen’ in het kader van een medische behandeling.

Je kunt QS bijvoorbeeld gebruiken voor het bijhouden van je persoonlijke milieuvervuiling via de app CO2-footprint of je stemmingswisselingen met de app Depression CBT Self-Help Guide. Je slaapritme controleer je met de app Zeo Sleep Manager in combinatie met een hoofdband en je lichaamsbeweging houd je bij met Runkeeper. Bijna ieder gedrag dat in een cijfer is uit te drukken, kun je op deze manier bijhouden. Om te beginnen met QS heb je niet meer nodig dan een smartphone en een app die in Apple’s App Store of in Google’s Play Store te vinden is. Alles wat je meet kan opgeslagen worden bij een online dienst en vanuit daar gedeeld worden met andere leden van de ‘community’ of je vrienden op de sociale media. Naast de smartphone kan QS worden gebruikt met smartwatches en slimme pols-, hoofd- en lichaamsbandjes, al dan niet voorzien van sensors.

Het adagium lijkt ‘meten is weten’, maar dat klopt alleen als je iets met de cijfers gaat doen. QS sluit aan bij het beeld van de mens waarin de mens een machine is die je moet ‘finetunen’. Een dergelijk mensbeeld moet wel bij je passen, want het terugbrengen van complex menselijk gedrag tot simpele cijfers valt niet bij iedereen in goede aarde. En zonder goede begeleiding kan gedragsverandering op basis van dergelijke cijfers zelfs tot gezondsheidsklachten leiden.

Misschien is het ook zinvol om even na te denken welke informatie over onze leefstijl, ons eetgedrag, onze gezondheid, onze waarden als bloedsuikerspiegel en bloeddruk we opslaan bij een gratis (en veelal) buitenlandse clouddienst. We zijn in Nederland redelijk kritisch over het elektronisch patiëntendossier, maar we zouden even kritisch moeten zijn over het opslaan en delen van QS-informatie. Bij een gratis dienst mag je er van uitgaan dat die informatie wordt doorverkocht, aan de farmaceutische industrie, de voedingsindustrie en de verzekeringsmaatschappijen. Het kan dus zeker geen kwaad om eerst de voorwaarden van de app of dienst te lezen voordat je akkoord gaat en infomatie gaat opslaan; dan weet je waar je aan toe bent voor je QS gaat toepassen.

Dit artikel is geschreven voor HCC Mobile Life.

Digitalisering van het onderwijs: opleiden voor digitale onafhankelijkheid

Standaard

Op 4 juli aanstaande schuif ik aan bij een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over digitalisering van het onderwijs. De sessie wordt georganiseerd door de VVD-fractie. Mijn bijdrage is onderdeel van de sessie “Digitalisering Primair- en Voortgezet Onderwijs”. In de afgelopen jaren heb ik genoeg geroepen over het onderwijs in Nederland en over het belang van digitale geletterdheid. De deelnemers is gevraagd hun bijdrage vooraf te laten gaan door een (korte) position paper (kortom, er moesten keuzen worden gemaakt ten aanzien van de inhoud 😉 ). De titel van mijn paper is: “Opleiden voor digitale onafhankelijkheid” en de integrale tekst staan hieronder.

Opleiden voor digitale onafhankelijkheid

Wat zou de overheid beter, anders, niet moeten doen ten aanzien van “digitalisering van het primair en voortgezet onderwijs? Een goede vraag, maar waar hebben we het dan over:

  1. over het inbedden van nieuwe e-learningtechnologieĂ«n welke door Wilfred Rubens op een voortreffelijke wijze in zijn recente boek “E-learning. Trends en ontwikkelingen”[1] (2013) zijn beschreven?
  2. over het anticiperen op de technologietrends van de (nabije) toekomst (denk aan quantified self, bring your own device, 3D printing, e-health, singularity, gamification, internet of things) en het beter toerusten van kinderen en jongeren om daarmee om te gaan?
  3. over digitaal burgerschap, waaronder het opleiden en vormen van jonge mensen tot volwaardige participanten in een samenleving waar de relatie tussen overheid, instellingen, bedrijven en burgers in toenemende mate een digitale relatie is, en hen voor te bereiden op een arbeidsmarkt en economie die alleen nog plaats hebben voor zelfstandig ondernemende professionals die over voldoende digitale startkwalificaties beschikken?

Voor mijn antwoord(en) grijp ik graag terug op de cultuurcriticus Neil Postman die in “Technopoly. The Surrender of Culture to Technology” (1993) bepleitte dat wij de attitude van een verzetsstrijder moeten ontwikkelen:

 A resistance fighter understands that technology must never be accepted as part of the natural order of things, that every technology—from an IQ test to an automobile to a television set to a computer—is a product of a particular economic and political context and carries with it a program, an agenda, and a philosophy that may or may not be life-enhancing and that therefore require scrutiny, criticism, and control. In short, a technological resistance fighter maintains an epistemological and psychic distance from any technology, so that it always appears somewhat strange, never inevitable, never natural.

Postman ziet voor het onderwijs een taak bij het ontwikkelen van deze attitude, niet door meer aandacht te schenken aan technologie (in de brede zin des woords) maar aan een historisch bewustzijn over de ontwikkeling van de mensheid en de rol die wetenschap, techniek en innovatie hebben gespeeld.

In “To save everything, click here” (2013) gaat Evgeny Morozov niet al te zachtzinnig los op het grenzeloze vertrouwen dat ‘we’ lijken te hebben in technologie en haar mogelijkheden om de grote en kleine vraagstukken van onze tijd op te lossen. Net als Postman bepleit hij dat gebruikers van technologie zich tot kritische gebruikers ontwikkelen met een historisch bewustzijn:

 How our digital technologies unfold in the future will be a factor not of how “the Internet” works or how computers work but of how we choose to make them work.

[…]

If, like some of the most prominent adherents of Internet-centrism, we believe that Steve Jobs was the greatest enemy of freedom or creativity, we risk misunderstanding—and even understating—the enemy. To talk about gamification without also discussing B. F. Skinner’s behaviorism or to talk about digital preemption without bring up rational-choice theory and the Chicago school of economics seems misguided; the nearly universal excitement about “the Internet,” mobile phones, and Wikipedia distracts us from noticing that many of the underlying phenomena are anything but new.

Postman en Morozov zijn niet de enigen die in essentie bepleiten dat de mens de controle moet houden over – en zo nodig de controle moet teruggrijpen van – technologie. Soortgelijke gedachten vinden we terug bij Nicholas Carr en Douglas Rushkoff, maar ook – in Nederland-  bij  Arthur Doctors van Leeuwen[2], het Rathenau Instituut[3], het KNAW en Mediawijzer. Het KNAW heeft gepleit voor meer digitale geletterdheid[4], Mediawijzer voor meer mediawijsheid[5].

Terzijde: het KNAW-advies over digitale geletterdheid is overigens niets te vroeg. Al in het begin van deze eeuw formuleerde de National Academy of Engineering (Verenigde Staten) een definitie van ‘technological literacy’, welke inmiddels is doorontwikkeld tot een uitgebreid raamwerk van leerdoelen, leerinhoud en toetsing op het gebied van ‘technology and engineering’. Ik mag hopen dat de SLO in haar onderzoek naar de meest effectieve acties voor uitvoering van het KNAW-advies dit mee gaat nemen.

In de definities van digitale geletterdheid (KNAW) en mediawijsheid (Mediawijzer) vinden we eveneens de noodzaak van het ontwikkelen van een kritische distantie ten aanzien van technologie terug. Vertaald naar het onderwijs moet derhalve niet de vraag: “Hoe kunnen we technologie beter inzetten?” centraal staan, noch de vraag: “Hoe kunnen we beter met technologie omgaan?”, maar de vraag: “Hoe kunnen we verstandiger gebruik maken van technologie en begrijpen welke risico’s aan technologie verbonden zijn?”.

Dit maakt dat mijn antwoord[6] op de vraag/vragen is dat de overheid er op de eerste plaats voor moet waken dat de ene na de andere technologiehype maar een plaats moet krijgen in het onderwijs uit angst dat we aansluiting met de rest van de wereld verliezen of onze kinderen niet voldoende toerusten voor de 21e eeuw (niet doen). Mijns inziens zouden de overheid en onderwijsinstellingen zich moeten richten op de fundamenten: de educatieve technologie-architectuur en -infrastructuur; de opleiding van docenten; en, een brede verankering van digitale geletterdheid in het curriculum (doen, anders doen).

Om met het laatste te beginnen. In een samenleving waarin digitale processen vrijwel onzichtbaar volledig geĂŻntegreerd zijn in het dagelijks bestaan kunnen we niet meer volstaan met het aanbieden van een keuzevak Informatica (al dan niet in vernieuwde vorm). Vraagstukken over het hoe, waar en waarom van technologie in de moderne samenleving zullen in alle vakken geĂŻntegreerd maar wel expliciet aan bod moeten komen. Dit vraagt om een vakoverstijgend curriculum met leerlijnen en leerdoelen die dwars door het curriculum heen gaan en verschillende aspecten van digitale geletterdheid benadrukken (doen).

Daarnaast een pleidooi om de drie klassieke, essentiĂ«le vaardigheden van lezen, schrijven en rekenen uit te breiden met een vierde vaardigheid: programmeren (doen). Eigenaardig? Nee, Estland heeft – in het kielzog van een massale cyberaanval op haar kritische infrastructuur- besloten om leerlingen in het basisonderwijs al elementaire vaardigheden programmeren bij te brengen. Soortgelijke signalen zijn te vinden in de BRICS-landen en bijvoorbeeld bij het Amerikaanse leger[7]. Basiskennis programmeren draagt bij aan de kritische distantie ten aanzien van nieuwe technologie,maar ook aan het sneller, beter en veiliger benutten van die technologie.

Het tweede punt haakt hierbij aan. Het is niet voor niets dat we in Nederland minimale eisen zijn gaan stellen aan het niveau Nederlands en Rekenen van studenten aan de pabo’s. En we moeten deze lijn doortrekken en een minimumniveau aan digitale geletterdheid verplicht stellen (anders doen). Dit minimumniveau geldt in ieder geval voor studenten aan de docentenopleidingen maar zou ook aangeboden moeten worden als verplicht bijscholingsprogramma digitale geletterdheid voor alle docenten (doen). Een inhaalslag is noodzakelijk, tenzij we de inzet van nieuwe technologie in het onderwijs willen laten frustreren door het terugkerende argument: “Ik heb een collega die niet eens een Youtube-filmpje kan opstarten”.

Het eerste punt, de educatieve technologie-architectuur en -infrastructuur, is wat lastiger maar komt er op neer dat we onderwijsinstellingen voorzien van een blauwdruk en raamwerk met verplichte richtlijnen voor de verdere ontwikkeling van ICT-omgevingen (doen) die in staat zijn om nieuwe technologieĂ«n op relatief korte termijn en tegen relatief lagere kosten te incorporeren. Nieuwe technologieĂ«n die bijvoorbeeld niet goed integreren met andere technologieĂ«n, die educatieve content opsluiten in leveranciersspecifieke ‘containers’ (hardware, software, formaten, diensten) en/of de vrijheid van technologiekeuze van ouders en leerlingen beperken zouden niet langer toegestaan mogen zijn (niet doen).

 


[2] In de Gateway review van het NUP (2010) bepleitte Arthur Doctors van Leeuwen voor meer zorg en aandacht voor dit immense project richting de digitale overheid, vanwege de risico’s op het vergroten van het wantrouwen van de burger in de overheid en het schenden van de rechten van burgers, om vervolgens te constateren dat ‘we’ ons hier nauwelijks druk over maken. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/01/brief-aan-de-tweede-kamer-met-reactie-op-gateway-review-nup.html

[3] Het Rathenau Instituut stelde in “De autonome burger in de informatiesamenleving” (2013) dat de informatiehuishouding van de overheid burgers maximale toegang en zeggenschap over voor hen relevante informatie moet geven. http://new.kinggemeenten.nl/sites/default/files/document/gr_2631/201301-006-Hand-out-Rathenau-Instituut-TK-cie-ICT.pdf

[7] Het Amerikaanse leger gaat ervan uit dat een soldaat op het slagveld van de toekomst in staat moet zijn om de broncode van wapentuig te debuggen en aan te passen.

Anachronismen in de Hypeocratie

Standaard
Het schrijven van Hypeocratie! is voor mij ook het zoeken naar de juiste inspiratie, naar een plek die de creativiteit prikkelt. De afgelopen weken heb ik goede schrijfsessies gehad in de Centrale Bibliotheek in Rotterdam. Ergens bekroop me de ironie van de situatie. Ik ben bezig met een boek over technologietrends en -hypes, trends waarvan bibliotheken fors te lijden hebben. Ik werk te midden van kasten vol boeken, maar geen moment is het nodig geweest om op te staan en een van die boeken te pakken voor mijn research. Alles wat ik nodig heb is digitaal beschikbaar. Ik heb voldoende aan mijn laptop, mijn tablet en een goed werkende internetverbinding die voor € 12,50 een jaar lang onbeperkt te gebruiken is.

Een persoonlijke geschiedenis van lezen

De Centrale Bibliotheek, het nieuwe gebouw dan, staat er sinds 1983. Een prachtig modern gebouw, een gebouw met een eigen smoelwerk. ’Mijn’ eerste bibliotheek was gelegen aan het Marconiplein in Rotterdam. Ik weet niet meer hoe oud ik was, maar op een gegeven had ik doorgekregen dat je als kind gratis lid kon worden van de bibliotheek. Volgens mij ging ik bijna wekelijks naar de bibliotheek, met een sporttas die weer volgeladen werd voor de terugweg. Ik las me suf. De afdeling Kinderboeken was mij al snel te klein. Het was fascinerend om langs de kasten te lopen en nieuwe onderwerpen te ontdekken, ze boeiend te vinden. De Centrale Bibliotheek was groter, had meer, een ware tempel van het lezen.
Lezen doe ik nog steeds. Niet meer met sporttassen tegelijk (helaas). Mijn Kindle gaat vrijwel altijd mee, waar ik ook naartoe ga. ’Lezen’ is voor mij grotendeels ’digitaal lezen’ geworden. De boekenkast staat nog wel vol, met boeken die (nog) niet in digitale vorm beschikbaar zijn, met boeken die ik liever vanaf papier lees. Maar het is wellicht meer dan tien jaar geleden dat ik een bibliotheek binnen liep om een boek te lenen. Geen specifieke reden, het gebeurde gewoon.

Op zoek naar een inspirerende plek

Sinds oktober 2012 wonen we in Nieuwegein, vlak bij Utrecht. Utrecht is een stad waar je over de geschiedenis struikelt. Ik vind het heerlijk op zaterdagmorgen door het centrum te lopen, op zoek naar mensen waarmee ik mijn geloof kan delen en ondertussen kijkend naar de historische gebouwen, naar geschiedenis in de moderne tijd. Ik ben gefascineerd door rare combinaties. Ik vind het iets krankzinnigs als in een oude communistische boekhandel de NRC en Trouw verkocht worden. Ik krijg dan het beeld van voormalige ’kameraden’ die inmiddels prima geboerd hebben, daardoor ook in het stervensdure centrum kunnen wonen en ’for old time’s sake’ in de Rode Boekwinkel hun NRC-tje voor het rechtsliberale nieuws gaan halen.
Maar, hoe mooi en fascinerend ook, ik merk dat Utrecht en ik creatief gezien nog niet resoneren (sorry). Het prikkelt (nog) niet de inspiratie die ik nodig heb voor nieuwe artikelen en hoofdstukken. Misschien mis ik te veel het conflict tussen het oude en het nieuwe, of het samengaan van het oude en het nieuwe. In Rotterdam vind ik die inspiratie wel, in het straatbeeld, in de mensen.

Een hang naar het oude

Maar het is niet alleen Rotterdam, niet alleen de werkplek in een bibliotheek. Sinds ik met Hypeocratie! bezig ben heb ik een hang naar oude technologie. Ik zit volop te genieten van het trendwatching. Het is mogelijk mij volledig te verliezen in het volgen van de ’cutting edge’ van verschillende technologietrends, te lezen wat de hogepriesters van de Hypeocratie daarover te schrijven en te vertellen hebben en de balans te vinden in het werk van de cultuurcritici van de moderne tijd.
Maar ik heb ook iets gekregen met antiekwinkeltjes. Ik sta vertederd met een oude schrijfset in handen, oude kroontjespennen en inktpotjes. Vanmorgen keek ik door de etalageruit naar een oude typemachines en zag deze al op mijn bureau staan. De winkel was gesloten, maar anders… Ik heb de neiging mij te omringen met oude technologie, met technologie die ’ooit’ ook eens als nieuw en wellicht revolutionair werd beschouwd maar nu verworden is tot een interessante curiositeit.
Nee, het is geen hang naar het oude schrijfproces. Ik heb geen behoefte om stapels papier vol te schrijven met een kroontjespen, noch om uren op een oude typemachine te kloppen. Maar het werkt wel verankerend, draagt bij aan een historisch besef dat geen kwaad kan bij het rondwandelen in wat de technologie van de toekomst ons belooft. Misschien is het geen hang naar het oude, maar wel een hang naar anachronismen, naar de confrontatie van oude met nieuwe technologie, om daarmee de Hypeocratie beter te doorgronden. Works for me.

Transhumanisme versus Neo-Luddisme

Standaard
De term “Hubris” (of Hybris) bekt wel lekker. Het woord heeft iets eloquents, iets wetenschappelijks, het trekt de aandacht, bij mij althans. Dus als ik tegen een artikel met de titel: “The Hubris of Neo-Luddism” aanloop, moet ik wel gaan lezen. Het neo-luddisme is een van de prisma’s waardoor ik naar de vraag: “Waarom snappen we technologie niet?” kijk. Wat is “hubris” (Engels) of “hybris” (Nederlands)? Volgens Wikipedia kan het als volgt worden omschreven:
“het Oudgriekse woord voor overdreven trots, hoogmoed, overmoed, grootheidswaanzin, brutaliteit, onbeschaamdheid met name tegenover de Griekse goden en/of de goddelijke wereldorde. Het woord hybris heeft geen goede Nederlandse vertaling die het begrip volledig dekt, maar kan in de moderne tijd nog het beste omschreven worden met het gezegde ‘hoogmoed komt voor de val’.”
Franco Cortese, de schrijver van het artikel, vraagt zich af of de neo-luddieten niet meer last hebben van de blinde arrogantie dan de transhumanisten wordt verweten. Het transhumanisme zal ongetwijfeld deze periode wat meer in de belangstelling staan, want het staat centraal in het duistere plot dat professor Robert Langdon in Dan Brown’s Inferno ontrafelt. Via de trend Singularity is transhumanisme op mijn radarscherm terecht gekomen. Kortweg zijn de transhumanisten er stellig van overtuigd dat onze technologische vooruitgang ons in staat gaat stellen de beperkingen van het ‘mens zijn’ te overstijgen, waarbij singularity een wat scherpere focus heeft op een sprong in kunstmatige intelligentie. Het is niet vreemd dat de moderne neo-luddieten, met hun kritische -soms anti-technologische- houding ten aanzien van de impact van technologie op het menselijk bestaan en de natuur, zich tegenover de transhumanisten plaatsen. Welke van de twee bewegingen heeft het meest last van “hubris”, van de blinde zelfoverschatting die uiteindelijk tot de ondergang moet lijden?

Vijandbeeld

Cortese vertrekt vanuit een vrij negatief geformuleerde definitie van het neo-luddisme of bio-luddisme, de term die het Institute for Ethics & Emerging Technologies gebruikt. Ik pluk maar even wat kenmerkende citaten van de betreffende wikipagina:
Bioluddites come from a variety of political backgrounds, ranging from anarchists (such as anarcho-primitivists) to political conservatives (such as eco-fascists).

Bioluddites who do not argue up front that technology is intrinsically bad believe that it will inevitably be used by the elite and powerful to subjugate the less powerful and should therefore be abandoned. Some Bioluddites hold that medicine makes people sick and should therefore be eliminated.

The actions and words of Unabomber Theodore Kaczynski and groups like the Earth Liberation Front may also be seen as a militant articulation of Luddism.

Some Bioluddite green anarchist militants have taken the prospect of a Singularity seriously enough to have called for violent direct action to stop it.
Al Qaida is er niets bij.

De crux van de discussie

Volgens Cortese staan transhumanisme en neo-luddisme niet zozeer fundamenteel anders tegenover technologie, maar tegenover de individuele vrijheid van de mens. Het transhumanisme beoordeelt nieuwe technologie naar de mogelijkheden om de mensheid radicaal te verbeteren, zodat ieder afzonderlijk kan bepalen hoe hij/zij zijn/haar leven wil leiden, zonder de beperkingen die de omgeving en onze menselijke natuur nu aan ons opleggen.
We do not seek to radically transform Humanity against their will; indeed, this is so off the mark as to be antithetical to the true Transhumanist impetus – for we seek to liberate their wills, not leash or lash them. We seek to offer every human alive the possibility of transforming themselves more effectively according to their own subjective projected objectives; of actualizing and realizing themselves; ultimately of determining themselves for themselves. We seek to offer every member of Humanity the choice to better choose and the option for more optimal options: the self not as final-subject but as project-at-last.
De neo-luddieten daarentegen accepteren, in de optiek van Cortese, de beperkingen van de omgeving en onze menselijke natuur en willen anderen, ook toekomstige generaties, verhinderen daar fundamenteel iets aan te veranderen.
They actively seek the determent, relinquishment or prohibition of technological self-transformation, and believe in the heat of their idiot-certainty that they have either the intelligence or the right to force their own preference upon everyone else, present and future. Such lumbering, oafish paternalism patronizes the very essence of Man, whose only right is to write his own and whose only will is to will his own – or at least to vow that he will will his own one fateful yet fate-free day.
In bredere zin stelt Cortese, mijns inziens, dat het niet aan de huidige generatie is om (technologische) vernieuwing op welke manier maar ook aan banden te leggen als daarmee de kans bestaat dat toekomstige generaties daar de vruchten niet van kunnen plukken. De technologie staat centraal in het transhumanistische denken:
While the emphasis on technology predominant in Transhumanist rhetoric isn’t exactly misplaced (simply because technology is our best means of affecting and changing self and society, whorl and world, and thus our best means of improving it according to subjective projected objectives as well) it isn’t a necessary precondition, and its predominance does not preclude the inclusion of non-technological attempts to improve the human condition as well.

Waar ging het trouwens om bij de oorspronkelijke Luddieten?

Cortese staat vervolgens stil bij de oorspronkelijke Luddieten, de thuiswevers die de industriële weefgetouwen aan puin sloegen in 1811-1813. Terecht stelt hij dat de historische luddieten niet tegen technologie zodanig waren, maar tegen de impact van nieuwe technologie op hun leven en leefomstandigheden.
And in terms of base-premises, it is not as though Luddites are categorically against technology in general; rather they are simply against either a specific technology, a specific embodiment of a general class of technology, or a specific degree of technological sophistication. After all, most every Luddite alive wears clothes, takes antibiotics, and uses telephones. Legendary Ludd himself still wanted the return of his manual looms, a technology, when he struck his first blow. I know many Transhumanists and Technoprogressives who still label themselves as such despite being weary of the increasing trend of automation.

Wat Cortese betreft is niemand tegen technologie in het algemeen, alleen tegen specifieke uitingen daarvan:
In other words no one is against technology in general, only particular technological embodiments, particular classes of technology or particular gradations of technological sophistication. If you’d like to contest me on this, try communicating your rebuttal without using the advanced technology of cerebral semiotics (i.e. language).


Technologie als absolute waarde?

In zijn argumentatie zet Cortese dus iedere technologie op eenzelfde golflengte. Vanuit zijn transhumanistische denkkader is het weefgetouw thuis hetzelfde als een industrieel weefgetouw en aan een volledig geautomatiseerde textielfabriek. Wat impact van de technologie is op het menselijk bestaan, het milieu, onze gezondheid, onze welvaart, ons welzijn, de sociale en maatschappelijke structuren, onze cultuur, bij dat alles staat Cortese niet lang stil.
This was the Luddites’ own concern: that automation would displace manual work in their industry and thereby severely limit their possible choices and freedoms, such as having enough discretionary income to purchase necessities. If their government were handing out guaranteed basic income garnered from taxes to corporations based on the degree with which they replace previously-manual labor with automated labor, I’m sure they would have happily lain their hammers down and laughed all the way home. Even the Amish only prohibit specific levels of technological sophistication, rather than all of technology in general.
In tegenstelling hiermee maakt de cultuurcriticus Neil Postman wel een onderscheid naar de verschillende technologieĂ«n door ze te plaatsen binnen verschillende culturen: ‘tool-using cultures’, de technocratie en de technopolie. In de meest eenvoudige vorm werd/wordt technologie gebruikt om specifieke problemen op te lossen of spelen ze een symbolische rol.
… the main characteristic of all tool-using cultures is that their tools were largely invented to do two things: to solve specific and urgent problems of physical life, such as in the use of waterpower, windmills, and the heavy-wheeled plow; or to serve the symbolic world of art, politics, myth, ritual, and religion, as in the construction of castles and cathedrals and the development of the mechanical clock. In either case, tools did not attack (or, more precisely, were not intended to attack) the dignity and integrity of the culture into which they were introduced. With some exceptions, tools did not prevent people from believing in their traditions, in their God, in their politics, in their methods of education, or in the legitimacy of their social organization. These beliefs, in fact, directed the invention of tools and limited the uses to which they were put. (Neil Postman, Technopoly, 1993)
In de optiek van Postman is de technologie dan ingekaderd in de cultuur, wordt ze gestuurd en gevormd door de cultuur. In een technocratie beginnen de ‘tools’ de status quo ter discussie te stellen:
In a technocracy, tools play a central role in the thought-world of the culture. Everything must give way, in some degree, to their development. The social and symbolic worlds become increasingly subject to the requirements of that development. Tools are not integrated into the culture; they attack the culture. They bid to become the culture. As a consequence, tradition, social mores, myth, politics, ritual, and religion have to fight for their lives. (Neil Postman, Technopoly, 1993)
Voor Postman waren de Luddieten slachtoffers van de technocratie.
Their discontent was expressed through the destruction of machines, mostly in the garment and fabric industry; since then the term “Luddite” has come to mean an almost childish and certainly naĂŻve opposition to technology. But the historical Luddites were neither childish nor naĂŻve. They were people trying desperately to preserve whatever rights, privileges, laws, and customs had given them justice in the older world-view. (Neil Postman, Technopoly, 1993)
De technocratie kan zich ontwikkelen tot een technopolie. Technopolie is, in de woorden van Postman, een totalitaire technocratie die een hang naar traditionele waarden niet meer kan tolereren. Niet langer is de mens de maatstaf, maar is technologie de maatstaf waaraan de mens wordt afgemeten. Sociale, culturele, maatschappelijke of ecologische kaders zijn niet langer relevant om de ‘ethiek’ van een technologie te bepalen.
Goed, dat wil niet zeggen dat transhumanisten zich niet bezig houden met ethische discussies, maar het is wel duidelijk dat zij zich in Postman’s technopolie meer thuis voelen.

Wie heeft de meeste hybris?

Cortese schrijft de neo-luddieten de meeste blinde arrogantie toe. Zij eigenen zich immers het recht toe voor zichzelf, voor anderen en voor toekomstige generaties beperkingen op te leggen aan het gebruik van technologie. Maar, al lezende, denk ik dat het verschil tussen de transhumanist Cortese en de bioluddieten die hij voor ogen heeft niet zo heel groot is.