De minachting van Evgeny Morozov

Standaard
Voor Hypeocratie bekijk ik onder andere, wat ik maar heb genoemd, het Neo-Luddiete Discours. Dit omvat – voor mij- de argumenten van de cultuur- en technologiecritici. Dat ik ze schaar onder het Neo-Luddiete Discours betekent niet (altijd) dat deze critici een anti-technologische houding hebben, maar het totaal van hun argumenten draagt wel bij tot een meer afstandelijke, kritischer houding ten aanzien van technologische vernieuwing. Een van de critici is Evgeny Morozov met zijn meest recente boek: “To Save Everything, Click Here…“. Morozov heeft scherpe kritiek op de goeroe’s van Silicon Valley met hun schier onbegrensde geloof in een technologische oplossing voor ieder probleem in de wereld. Het betoog van Morozov werd door Alexander Klöpping in een tweet richting Yuri van Geest als volgt samengevat: “@vangeest laatste boek van Morozov al gelezen? Alles wat jij liefhebt, singularity, qs, etc wordt kapot gemaakt”. Wat draagt Morozov, wat mij betreft, bij aan het Neo-Luddiete Discours en aan het begrip van de centrale vraag in Hypeocratie? Voor wie niet alles wil lezen, het korte antwoord 😉 :

“To Save Everything, Click Here…” wijst terecht op het te vaak ontbreken van historisch bewustzijn bij de goeroe’s van (misschien niet zo) nieuwe technologieën waardoor de vernieuwingen in het ’nu’ eerder als revolutionair en schokkend ervaren (kunnen) worden, samengaand met een vrijwel onbegrensd geloof in technologische oplossingen voor maatschappelijke problemen. Morozov schiet echter tekort in het onderbouwen van zijn these en vervalt daarbij tot hetzelfde simplisme en reductionisme dat hij de goeroe’s verwijt. Op het gebied van open ICT is dat – voor mij- het meest zichtbaar en dat roept vraagtekens op over de juistheid van zijn onderbouwing op andere gebieden die in het boek worden besproken. Het sleutelargument dat onvoldoende rekening wordt gehouden met relevante historische, sociale, culturele, economische en politieke contexten bij het begrijpen en duiden van de ontwikkeling van technologieën is nauwelijks nieuw te noemen, evenmin als een ander sleutelargument dat keuzen van actoren nooit waardenvrij zijn (en de daaruit voortvloeiende technologie dat evenmin kan zijn). Iedere zichzelf respecterende historicus kan daar een boom over opzetten, maar Morozov doet het voorkomen alsof hij de waarheid daarvan ontdekt heeft. Goed, pedante arrogantie is te vergeven (en het resulteert in goede kijkcijfers), maar dan moet de inhoudelijke argumentatie wel solide zijn. Dat is niet zo bij Morozov en hij komt niet echt tot een goed alternatief, tot een antwoord op de vraag: “Okay, en hoe nu verder?”. Dat laatste is een zwakte van de meeste historici: ze kunnen een goede, zelfs briljante analyse geven, maar wat je daar verder mee moet is ook voor hen niet duidelijk. Voeg daarbij de openlijke minachting van Morozov voor zijn opponenten en je hebt eigenlijk gewoon een slecht boek dat lekker gehyped kan worden.

Goed dan, en dan nu het langere antwoord.

Een belangrijke les

Ik herinner me nog goed de eerste collegeweek van de opleiding Maatschappijgeschiedenis. Het introductiecollege Pre-industriële samenleving van Catharina Lis. Met enthousiasme, een solide betoog en de nodige grafieken en statistische gegevens wist zij ons ervan te overtuigen dat de Industriële Revolutie nooit had plaatsgevonden, dat er eerder sprake was geweest van langer doorlopende trends die gestaag door te trekken waren tot in onze tijd. Schokkend en verrassend? Absoluut, want dit antwoord hadden we geen van allen ooit durven geven op het centraal schriftelijk eindexamen Geschiedenis. Een paar dagen laten kregen het introductiecollege Industriële samenleving, ditmaal van een docent wiens naam me helaas ontschoten is. Met een even groot enthousiasme, solide betoog, grafieken en statistische gegevens als Catharina Lis verklaarde dat de Industriële Revolutie een immense sprong in de Westeuropese geschiedenis was geweest met een bijna asymptotische vooruitgang op het gebied van gezondheid, levensverwachting, welvaart, welzijn, rijkdom, productiekracht et cetera, et cetera. Zijn conclusie stond diametraal op die van Lis en -zo op het oog- waren de twee conclusies ook niet met elkaar te verenigen.
Een van mijn medestudenten stond op en confronteerde de docent met deze tegenstrijdigheid. “Wat moeten we nu geloven?”. Het antwoord was wellicht een van de meest belangrijke lessen van onze opleiding: “Kies maar!”. Want beide stellingen waren -binnen het door de docenten gekozen raamwerk, de gezichtspunten, met de bijbehorende hypothesen en onderzoeksvragen, met het bewijsmateriaal – juist en voldeden aan de spelregels van historisch-wetenschappelijk onderzoek. Beide docenten hadden gelijk, en toch gaven ze maar een deel van het werkelijke antwoord. Zoals de docent het uitdrukte: “Het is niet ’of-of’, maar ’en-en’”.
Voor mij was het een waarschuwing tegen het vervallen in historisch determinisme, droeg het bij aan het besef dat wetenschappelijk onderzoek niet waardenvrij kan zijn en leerde het mij dat de geschiedenis een mooie maar gevaarlijke grabbelton kan zijn voor het vinden van historische parallellen om het eigen standpunt in het heden te ondersteunen.
De herinnering aan mijn eerste collegeweek kwam weer levendig naar voren tijdens het doorwerken van “To Save Everything, Click Here…” van Evgeny Morozov.

Essentie van “To Save Everything, Click Here…”

Wat is de essentie van het betoog van Morozov? De ondertitel van het boek is: “The folly of technological solutionism” en Morozov wil -met grof geweld- duidelijk maken hoe groot de dwaasheid van Silicon Valley is, en hoe gevaarlijk de beloften van de technologiegoeroe’s zijn. In het streven naar technologische perfectie en het oplossen van menselijk falen tastten de goeroe’s en innovators – wat hem betreft- fundamentele menselijke vrijheid aan:

Imperfection, ambiguity, opacity, disorder, and the opportunity to err, to sin, to do the wrong thing: all of these are constitutive of human freedom, and any concentrated attempt to root them out will root out that freedom as well.

In dit boek schopt hij tegen het “internetcentrisme”, zijnde het bijna verheerlijken van ’het internet’ en haar eigenschappen als de maatstaf voor de oplossing van sociale en maatschappelijke vraagstukken en het “solutionisme”, zijnde de neiging van technologische innovators om tal van technologische oplossingen aan te dragen voor problemen die wel of niet bestaan maar die hoe dan ook nauwelijks fatsoenlijk doorgrond worden.

Solutionism presumes rather than investigates the problems that it is trying to solve, reaching “for the answer before the questions have been fully asked”.

Dit soort kritiek op het verheerlijken van technologie als oplossing voor alle problemen, het verheffen van het technologisch model als maatstaf voor sociale en maatschappelijke problemen is – wellicht- terecht maar niet nieuw. Neil Postman bijvoorbeeld ging Morozov al voor met “Technopoly” (1993) en wat te denken van het werk van Lewis Mumford (The Myth and the Machine). Maar goed, het kan nooit kwaad soortgelijke cultuurkritiek toe te passen op moderne fenomenen.
Het solutionisme en internetcentrisme zijn, volgens Morozov, terug te voeren op een gebrek aan historisch besef bij de technologiegoeroe’s. Oplossingen worden als revolutionair en vernieuwend gepresenteerd, terwijl een historicus maar al te eenvoudig naar soortgelijke oplossingen in de recente en minder recente geschiedenis kan wijzen. Het misbruiken van historische vergelijkingen, zoals de drukpers van Gutenberg, wordt door Morozov met de grond gelijk gemaakt. Hij laat zien dat de inspiratiebronnen van de solutionisten slechts één, en dan nog een beperkte en bekritiseerde, kijk op historische fenomenen hebben. En zo hoort het ook. Van een historicus mag een gezonde bronnenkritiek worden verwacht.
Eveneens terecht is het verwijt dat de solutionisten last hebben van “epochialism”, het bezien van de eigen tijd als uniek, bijzonder en revolutionair. Een beetje historisch besef zou de goeroe’s meer bewust maken van langer doorlopende sociale, maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Toegegeven, het is wat vervelend voor de ’wannabe’ revolutionairen en Tesla-rijdende piraten om geconfronteerd te worden met de conclusie: “Zo nieuw is het allemaal niet wat je doet”, maar het voorkomt wel een hoop problemen in de Hypeocratie. Wat mij betreft is het zonder meer terecht dat Morozov deze zwakte in het discours van de Hypeocratie bloot legt. Maar nieuw is het niet.
En juist daar begint Morozov mij fors te irriteren. Hij doet voorkomen alsof hij een nieuwe waarheid heeft ontdekt, alsof hij de enige is die dit nu beseft, maar hij doet niet veel anders dan het herhalen van argumenten die door generaties historici en cultuurcritici zijn gebruikt om de fenomenen van hun tijd van nuancering te voorzien. “Nuance” is so wie so niet een karakterisering van “To Save Everything…”. De -soms- zinnige argumenten worden compleet overschaduwd door pedante arrogantie en openlijke minachting voor de opponenten in het debat. In zijn kritiek op de technologiehogepriesters laat Morozov weinig zien van de zorgvuldige analyse, contextuering en nuancering die hij de opponenten verwijt te ontberen. Een voorbeeld is zijn behandeling van -wat ik maar even noem- het open domein.

Simplistische kritiek op het open domein

Morozov behandelt drie punten van kritiek op het open domein, namelijk (1) de vaagheid van het begrip ’open’; (2) de grip van Google op het Android-ecosysteem en (3) open data.

Solutionists—especially those of the geek persuasion—regularly develop and consume their own myths about how “openness” contributes to progress and success, which only adds to the confusion.

Onder verwijzing naar Chris Kelty stelt Morozov dat in de vrije software wereld nauwelijks consensus bestaat over het begrip ’open’:

Open tends toward obfuscation. Everyone claims to be open, everyone has something to share, everyone agrees that being open is the obvious thing to do—after all, openness is the other half of ‘open source’—but for all its obviousness, being ‘open’ is perhaps the most complex component of Free Software.

En daarbij is het nauwelijks duidelijk of ’open’ het middel of het doel is. Een onterechte constatering? Nauwelijks, maar zet het dan wel in de juiste historische, sociale en technologische context. De vaagheid van het begrip heeft nauwelijks als een rem gewerkt op de ontwikkeling en het gebruik van open source software, op de discussie over de vernieuwing van het auteursrecht, op de groei van het internet, de democratisering van het in gebruik nemen van online diensten et cetera, et cetera. Het had Morozov gesierd als hij in dit verband had gewezen op de discussies die in het open domein zelf worden gevoerd en die laten zien dat wij zonder veel problemen de technologiehelden het vuur aan de schenen leggen.
Wat Morozov nu doet is één bron (Kelty) zetten tegenover een andere bron -Tim Wu- om zijn volgende punt over Google te kunnen maken. Wu, in de woorden van Morozov, stelt dat Google een baken en oase van ’open’ is. Ik denk dat juist in de vrije en open source wereld daar al vroeg grote vraagtekens bij zijn geplaatst. Maar die kritiek past niet in het wereldbeeld van Morozov. Nee, Wu is een beter voorbeeld, want die is niet al te open geweest over zijn eigen betrokkenheid bij de strategie van Google. Vervolgens pakt Morozov een volgende bron, een studie van Kimberley Spreeuwenberg en Thomas Poell over het functioneren van de Open Handset Alliance. Hun studie: “Android and the political economy of the mobile Internet: A renewal of open source critique” (april 2012) stelt dat Google in het Android-ecosysteem heel selectief heeft gekozen voor wat het wel en niet ’open’ heeft willen afhandelen, dat het Google in staat stelt om data te verzamelen voor haar core-business (advertenties) en dat Google door een combinatie van technologische en juridische mechanismen grip houdt op de ontwikkeling van het Android ecosysteem.
Spreeuwenburg en Poell citeren maar al te vaak uit Kelty, een reductionisme dat Morozov anderen verwijt, maar dat hij nu in het betreffende hoofdstuk zelf toepast. De observaties over de motieven van Google en de omgang met ’open’ zijn nauwelijks nieuw, en het is maar de vraag of dat vervolgens aan het ’open domein’ toegeschreven kan worden. Morozov is hier erg simplistisch en neemt de conclusies van Spreeuwenburg en Poell kritiekloos over. Het is maar de vraag of Google via de OHA wel zo’n sterke grip heeft op de leveranciers van Android toestellen. Ik hou de ontwikkelingen in het Android ecosysteem al een tijdje in de gaten en zie daar eerder een kritiek op de versplintering van het ecosysteem, van de aanpassingen die leveranciers in de standaardversies van het OS aanbrengen en opmerkingen van Google over de dominantie van Samsung. Maar de simplistische en reductionistische behandeling van het open domein verhindert Morozov niet de volgende alomvattende conclusie te trekken:

Thus, while Internet-centrists assume that Google is “open” by default, their opponents—let’s call them Internet realists—assume that Google does a lot of work to look “open” and investigate what that work involves. While Internet-centrists tend to be populist and unempirical, Internet realists start with no assumptions about the intrinsic values of “openness” and “transparency”—let alone their inherent presence in digital networks—and pay particular attention to how these notions are involved and manifested in particular debates and technologies. While Internet-centrists believe that “openness” is good in itself, Internet realists investigate what the rhetoric of “openness” does for governments and companies—and what they do for it

Ja, zo kan ik ook naar mijn eigen conclusies toeschrijven.
Maar Morozov is nog niet klaar in het open domein. Open overheid en open data krijgen ook nog een beurt. In zijn opvatting krijgen meer en minder dictatoriale regimes een stempel van goedkeuring als zij zich tot ’open data’ bekeren.

In spelling out eight important principles behind open-government data—timeliness, completeness, freedom from license restrictions, and so on —the activists were primarily concerned with technicalities of the disclosure process and raised few questions about politics; as a result, note Yu and Robinson, “an electronic release of the propaganda statements made by North Korea’s political leadership . . .might satisfy all eight of these requirements, and might not tend to promote any additional transparency or accountability on the part of the notoriously closed and unaccountable regime.”

Misschien ben ik naïef, maar op mijn radarscherm zie ik geen open data- en open overheidsenthousiastelingen die het restrictieve mediabeleid van de regering in Hongarije goedkeuren met de opmerking: “Maar de OV-data zijn wel open beschikbaar!”. En dat is wel het argument van Morozov.

Hoe sterk is dan de rest van de kritiek?

Misschien verval ik nu zelf in simplisme, maar als Morozov bij zijn behandeling van het open domein vervalt tot selectief gebruik van ’bewijs’ en een simplistische, slecht onderbouwde beredenering, wat betekent dit dan voor de waarde van de behandeling van de andere fenomenen zoals Quantified Self? Ik bedoel, mijn vertrouwen in de besprekingen van religieuze bewegingen door Trouw is sterk afhankelijk van de juistheid, integriteit en volledigheid van hun bespreking van Jehovah’s Getuigen, een beweging waar ik erg mee vertrouwd ben. Als ik lees hoe Trouw soms over mijn geloofsrichting schrijft kan ik niet anders dat vraagtekens zetten bij hun behandeling van andere richtingen. Hetzelfde gevoel heb ik bij Morozov: onbetrouwbaar en onvolledig ten aanzien van het ene domein (dat ik goed kan controleren), hoogstwaarschijnlijk ook onbetrouwbaar en onvolledig ten aanzien van de andere domeinen.
Het helpt ook zeker niet dat Morozov, naast zijn pedante toon en arrogante minachting voor zijn opponenten, te pas en te onpas met Godwin-argumenten komt, argumenten in de trant van: de solutionisten hadden vanuit dit simpele perspectief het optreden van Nazi-Duitsland op dit terrein vast toegejuicht.

Naar een Morozoviaanse conclusie over “To Save Everything…”

Is “To Save Everything…” een slecht boek? Heeft Morozov niet terechte kritiek op de enthousiaste omarming van nieuwe technologische fenomenen zonder eerst de problemen die ze stellen op te lossen goed te doorgronden? Is het verkeerd om vraagtekens te zetten bij de vermeende successen van ’het internet’ en de pogingen dit te vertalen naar andere, meer complexe domeinen van het menselijk bestaan?
Morozov vindt het heel belangrijk om naar de morele context te kijken alvorens conclusies te trekken, dus dat doe ik ten aanzien van zijn boek ook maar. Wat zegt het boek over de morele waarden van Morozov en -daarmee- over zijn conclusies? Wat zegt een pedant simplistisch betoog met een arrogante minachting voor andersdenkenden over iemands morele waarden, iemand die volstrekt overtuigd is van zijn eigen gelijk? Ach, in de geschiedenis zijn genoeg voorbeelden te vinden van dergelijke personen. Morozov heeft geen moeite met Godwin’s, dus wellicht is het niet verkeerd om dan te wijzen naar voorbeelden als Hitler, Stalin, Pol Pot en Bin Laden. De constatering dat een deel van hun argumenten, bezien binnen hun context, best wel zinvol zouden kunnen zijn, maakt nog niet dat we meer naar hen luisteren. Dat heb ik bij Morozov sterk. Zijn kritiek op moderne fenomenen had een betere behandeling verdient dan waar zijn ego klaarblijkelijk toe in staat was.
Dat is jammer, voor het boek, voor de kritiek, voor Morozov zelf. Maar het probleem is -mijns inziens- niet alleen dat “To Save Everything…” hierdoor gewoon een slecht boek is geworden. Het probleem ligt niet bij de individuele gek, maar bij de nerd die met masochistisch applaus het: “Ik vond het een goed boek” de wereld instuurt, meedrijvend op het applaus van de andere ’first followers’, niet beseffend hoeveel minachting en walging Morozov heeft voor hem en de gelijkgestemden van de ’naïeve TED-crowd’. Kritiekloze acceptatie onderschrijft vreemd genoeg de kern van de fundamentele kritiek van Morozov.
Advertenties

IT-berichtgeving in de Hypeocratie: een onderzoeksopzet

Standaard
Een onderzoek naar het hoe en waarom van de Hypeocratie kan natuurlijk niet om de berichtgeving over technologiehypes heen? Welke rol spelen de IT-media, en de meer algemene media, bij het ontstaan en instandhouden van een hype? Bieden de IT-media bijvoorbeeld een onafhankelijke, kritische journalistieke duiding van technologische ontwikkelingen (want op de technologieredactie moet daar de nodige kennis en deskundigheid voor aanwezig zijn, toch?), of is het veeleer een kritiekloos doorplaatsen van persberichten van leveranciers en de niet-zo-onafhankelijke analisten?
Bekijken we de Nederlandstalige IT-media, dan heb ik daar -op voorhand- wel al een mening over. Deze mening is gevormd door het volgen van letterlijk honderden nieuwsbronnen sinds 2005, er is dus sprake van redelijk wat vergelijkingsmateriaal.

De Nederlandse IT-media, kort door de bocht

Een korte duiding dan maar van een aantal media:
  • Computable zou ik geen journalistiek medium (meer) noemen, maar veeleer een weblog van leveranciers die ’expertorials’ mogen schrijven. Een ’expertorial’ is een als deskundige bijdrage vermomde advertentie. Het kan een heel goed geschreven advertentie zijn, maar van een onafhankelijke, kritische duiding van een fenomeen is slechts in beperkte mate sprake.
  • Bij de Automatiseringgids schijnt een consequente afkeer te bestaan van fatsoenlijke bronvermeldingen. De overdaad aan doorgeplaatste persberichten van analisten zonder zelfs maar de titel van of een linkje naar het oorspronkelijke (niet-zo-onafhankelijke) onderzoek is mij al een tijdje een doorn in het oog. Het ontbreken van bronvermeldingen maakt een goede check lastig en is -mijns inziens- ook wat respectloos voor de oorspronkelijke auteur(s).
  • Op Webwereld struikel je gelukkig soms nog over originele content inzake IT-dingetjes in Nederland, met dank aan een interessant gezelschap van klokkenluiders en influisterende hackers. Gelukkig maar, want daarnaast is het vooral een eigenaardige mix van Control+c/Control+v – plakwerk (al dan niet vertaald), het doorplaatsen van persberichten en een ’link bait’ om de reaguurders op stang te jagen.

Een stukje duiding van journalistiek in Nederland

Dit was even heel kort door de bocht ;-). Ik ben me er ook van bewust dat het voor de -veelal- freelancende journalistieken geen vetpot is om voor de IT-media te schrijven. Het schrijven van meer evenwichtige en diepergravende artikelen kosten tijd (en daarmee geld), tijd die er niet is of niet wordt gegeven. De journalistiek in Nederland staat onder druk en dat is voor de IT-journalistiek (nog steeds een niche) niet anders. Wat dat betreft kan ik de oratie van Jeroen Smit, sinds 14 mei hoogleraar Journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen, aanraden als leesvoer. Smit stelt dat het oude verdienmodel van massamedia die door adverentieinkomsten in de lucht worden gehouden na ruim 170 jaar over en uit is. De ’boosdoener’ is het internet. Het oude verdienmodel leunde op de schaarste van het aantal kanalen.

Tot de komst van het internet. In een klap maakt schaarste plaats voor overvloed. Adverteerders en lezers kunnen eindeloos kiezen, zelf nieuwe paden inslaan op zoek naar informatie en contact. Massamedia die tot dan het monopolie op onze informatievoorziening hebben, de belangrijkste nieuwsbrengers zijn en voor de eerste versie van onze geschiedschrijving zorgen, krijgen het moeilijk. Erg moeilijk. Er is sprake van een destructive innovation, een ontwrichtende vernieuwing.

De zoektocht naar nieuwe verdienmodellen acht Smit kansloos.

Ik denk dat de ontwrichting dieper gaat, dat het de hoogste tijd is dat de makers, journalisten, zich over de snel veranderende behoeftes gaan ontfermen. Dat zij zich gaan verbinden aan de mensen waarvoor ze werken en die ze willen verheffen. Daarvoor zullen journalisten nieuwe maakmodellen moeten bedenken, nieuwe manieren om journalistiek te bedrijven. Als ze daarin slagen, komen de verdienmodellen vanzelf.

De cijfers stemmen niet tot optimisme. Amerikaanse adverteerders spendeerden in 2005 47,5 miljard dollar aan advertenties in kranten, in 2011 was dat 20 miljard. In Nederland is het teruggelopen van 1,16 miljard euro (2000) naar 502 miljoen (2011). Content online plaatsen levert veel en veel minder inkomsten op. De redacties worden kleiner, de oplagen worden kleiner en de inschatting is dat over vijf tot zeven jaar de papieren media zijn verdwenen. Maar wat mogen we dan, in algemene zin, van de online media verwachten? Smit zegt in zijn oratie het volgende:

Uit onderzoek (blijkt dat 80 procent van al het online verspreide nieuws bestaat uit het herverpakken van al bestaand nieuws. En dat van dat echte originele nieuws bijna 50 procent door de lokale kranten wordt gemaakt en 45 procent door de redacties van de lokale radio- en televisiestations. Met andere woorden: als in een stad die krantenredacties omvallen, halveert het aanbod van nieuw nieuws.

Tachtig procent herverpakken van bestaand nieuws! Daar komt bij dat de lezers snelheid verwachten en dat belangrijker vinden dat duiding, evenwicht, beschouwing.

Niet alleen het publiek hoeft /wil voor het snelle nieuws niet meer te wachten op de verificatie- vertaalslag door journalisten. Hetzelfde geldt voor, overheden, het bedrijfsleven; de aanbieders van het nieuws. Meer en meer vinden ze elkaar direct online of anders langs een van die snelle online media. Juist door die snelheid verandert het nieuws zelf ook. De spelregels die bepaalden wanneer nieuws de krant in mocht, één bron is geen bron, hoor- wederhoor, strikte scheiding van feiten en commentaar, zijn op de snelle nieuwssites grotendeels ondergeschikt gemaakt aan beschikbaarheid en snelheid. Online kan ieder bericht op ieder moment bovendien worden verbeterd, aangepast, verrijkt. Geruchten en nieuws-in-wording zijn nu ook interessant. Het internet zorgt voor ‘death of distance’: de afstand tussen het nieuws en de consument wordt minimaal. Iedereen is er als het ware constant bij. Gratis.

En de ’wisdom of the crowd’ dan? De grote menigte van deskundigen die via de sociale media het licht op fenomenen laat schijnen? Smit stelt dat slechts een paar procent van de burgers als ingevoerde burgerjournalisten gekenmerkt kan worden, “en dan meestal in becommentariërende zin”. Er is wel behoefte aan, een noodzaak van duiding, overzicht en verdieping in een wereld die sneller en sneller hele en halve feiten van het internet plukt.
De oratie van Smit zal ongetwijfeld niet het laatste woord zijn over de toekomst van journalistiek, maar geeft wel een schets van het tijdsgewricht en het spanningsveld tussen papier en online. Dus ik snap dat een freelancende journalist, die voor een artikeltje een paar rottige euro’s krijgt, een als artikel geschreven persbericht -al dan niet met een een beperkte aanpassing- snel doorplaatst: Vijftien minuten werk versus twee uur werk voor hetzelfde bedrag. Maar hoe groter de schaal waarop dit gebeurd, des te sterker draag je bij aan de Hypeocratie.

Opzet van het onderzoek

Voor het boek wil ik mij niet beperken tot mijn persoonlijke en hoogst subjectieve duiding van de Nederlandstalige IT-media. Wat is ga doen is het categoriseren van alle artikelen die in de verschillende online IT-media verschijnen, gedurende een periode van 1 a 2 weken. Op mijn voorlopige lijstje staan Webwereld (en aanverwanten), Computable, Automatiseringgids, Tweakers, Nu.nl en een aantal ’channel media’. Hoe origineel zijn de geplaatste artikelen? Wat zijn de bronnen, hoe onafhankelijk zijn ze? Is er sprake van confrontatie met andere bronnen? Bij Control+c/Control+v plakwerk, wat waren de oorsponkelijke artikelen? Welke hypes en trends zijn besproken, wat was de inhoud, de toonzetting?
Bij elkaar moet dit een meer gekwantificeerd beeld opleveren van de berichtgeving over IT en technologietrends in Nederland. Een volgende vraag is dan welke impact dit heeft op de Hypeocratie? En, erg belangrijk, wat betekent dit voor ons, als lezers?
Ik moet de periode van het onderzoek nog bepalen, maar als je zin hebt om mee te werken aan de dataverzameling ben je van harte welkom.

Digitale afhankelijkheid van de burger

Standaard

Het Rathenau Instituut heeft begin 2013 een hand-out (PDF) geschreven voor de tijdelijke commissie ICT-projecten bij de overheid. De hand-out is een van de brondocumenten die ik had opgeslagen voor Hypeocratie, mede naar aanleiding van de titel: “De autonome burger in de informatiesamenleving”. De hand-out is één A4-tje (dus lekker compact), maar bespreekt een onderwerp dat ik in het kader van Hypeocratie mee wil pakken: de relatie tussen overheid en burger en het (wan)trouwen dat ontstaat zodra daar een ICT-systeem tussen komt. Het Rathenau stelt dat “het huidige gebruik van ICT-systemen (…) leidt tot aantasting van de autonomie van de burger”. Ik kan het advies om de burger centraal te stellen en dat ICT-systemen “de vermogens van de burger (moet vergroten) om zijn leven naar eigen inzicht vorm te geven” volledig onderschrijven.


De risico’s die Rathenau benoemt bij het gebruik van ICT-systemen in de relatie tussen overheid en burger zijn maar al te herkenbaar. Eerder heb ik al geschreven over de neiging van ‘function creep’ en ‘authority creep’ en we zien dit fenomeen keer op keer de kop op steken, pas nog met het bizarre plan van Equens om de transactiedata van pinbetalingen te willen verkopen. Het plan is van tafel, maar ik wil daar gelijk het woord ‘voorlopig’ aan toevoegen want dit soort plannen komen altijd terug met een nieuwe verpakking, voorzien van ‘waarborgen’. Denk maar aan de nu lopende poging om stemmachines in een nieuwe verpakking acceptabel te krijgen, of het EPD, of … Het Rathenau bepleit “een andere informatiehuishouding van de overheid, die burgers maximaal toegang tot en zeggenschap (geeft) over voor hen relevante informatie”. De vraag is alleen of met een andere technologische oplossing (zeg, betere stemmachines) de gewenste nieuwe relatie tussen overheid en burger tot stand kan komen. Ik zet daar vraagtekens bij.

De volledige tekst van de hand-out is:

Keuzes in de informatiesamenleving: wisseling van perspectief

In de huidige informatiesamenleving wordt toegang tot en zeggenschap over informatie van steeds groter belang. Het gebruik van ICT-systemen en de wijze waarop deze worden ingericht hebben dan ook grote invloed op de maatschappelijke verhoudingen. Afhankelijk van de keuzes die hierin worden gemaakt, pakken de gevolgen van digitalisering anders uit voor de burger. Nu staan vaak de behoeften van de opdracht gevende instantie (stroomlijning organisatie, verhoging efficiëntie) voorop, met weinig oog voor de belangen van de burger. Maar ICT is bij uitstek geschikt om de positie van de burger te versterken en zijn autonomie te vergroten. Dit vergt een wisseling van perspectief.

Digitale afhankelijkheid

Onze zorg bij het huidige gebruik van ICT-systemen is dat deze leidt tot aantasting van de autonomie van de burger. Deze zorg hangt samen met een onvoldoende besef van de risico’s van dit gebruik in combinatie met tekortschietende mogelijkheden van de burger zich te verweren tegen de negatieve consequenties daarvan. Deze situatie leidt tot een disbalans tussen de vermogens van de overheid en die van de burger.

De risico’s van het gebruik van grote ICT-systemen betreffen niet alleen de beveiliging van deze systemen en de bescherming van persoonsgegevens. Een breder perspectief is nodig, met aandacht voor een groeiende afhankelijkheid van burgers van een gedigitaliseerde overheids-bureaucratie. Deze afhankelijkheid toont zich vooral wanneer er fouten sluipen in data en daarop gebaseerde (risico)profielen. Deze fouten kunnen het gevolg zijn van een incorrecte invoer van gegevens, verouderde data, identiteitsdiefstal of een verkeerde match van gegevens. Als gevolg hiervan kan iemand ten onrechte als “probleemkind”, “wanbetaler” of “drugscrimineel” worden beschouwd en overeenkomstig behandeld.

De mogelijkheden van burgers om zich tegen dit soort fouten te verweren schieten vaak tekort. Het in de WBP vastgelegde recht op inzage en correctie van gegevens blijkt in de praktijk vaak niet meer dan een papieren recht. Dit tast de rechtspositie van burgers aan en maakt hen verregaand afhankelijk van het naar behoren functioneren van ICT-systemen, zonder dat zij daarop veel invloed kunnen uitoefenen.

De burger centraal

Versterking van de positie van de burger vereist reflectie op de doelen die het ICT-systeem moet dienen. Daarbij is de vraag van belang of het systeem de vermogens van de burger vergroot om zijn leven naar eigen inzicht vorm te geven. Dit behoeft vertaling in het ontwerp van het systeem: welke mogelijkheden zijn er voor beheer, dan wel inzage en correctie door de burger van zijn gegevens? Dit leidt er bijvoorbeeld toe dat:

– reizigers kunnen beschikken over een anonieme OV-chipkaart met kortingsrechten;

– patiënten het beheer krijgen over hun medische gegevens;

– het GBA burgers digitaal inzage geeft in voor hen relevante overheidsbeschikkingen en de daarvoor gebruikte gegevens.

Het centraal stellen van de burger veronderstelt een andere informatiehuishouding van de overheid, die burgers maximaal toegang tot en zeggenschap over voor hen relevante informatie geeft. Dit leidt tot een meer horizontale relatie tussen burger en overheid en geeft op eigentijdse wijze invulling aan het idee van de mondige, autonome burger.

Pretentie(loo)s? Waarom ik Hypeocratie schrijf?

Standaard

Misschien is het wat raar om met het voorwoord te beginnen, maar ik heb gemerkt dat het helpt om dit gedeelte van een boek als eerste te schrijven. Voor mij zet het de kaders neer van waarom ik een boek wil schrijven, wat voor mij de belangrijkste aandachtspunten en hoofdlijnen zijn, voor wie het boek geschreven wordt. Met een titel als: “Pretentie(loo)s?” voor een voorwoord heb ik ook wel wat uit te leggen.

Pretentieloze pretentie

Waarom schrijf ik Hypeocratie? In de kern heb ik geen andere reden dan de pretentie dat ik dit boek wil schrijven, op deze manier, met deze onderwerpen. De afgelopen jaren heb ik het voorrecht gehad om verschillende boeken te mogen schrijven, aan andere boeken mee te werken of als redacteur te fungeren. Ik weet zeker dat veel schrijvers het fantastisch zouden vinden als hun ideeën op een dag als gedrukt boek beschikbaar zijn. Ik weet dat ik het iedere keer weer fantastisch vind om de eerste exemplaren van een nieuwe uitgave te ontvangen, en ik ben ijdel genoeg om in een boekhandel even te kijken of mijn boeken op de planken staan. Daarbij heb ik het genoegen te weten dat mijn boeken het -in hun niches- goed hebben gedaan, dat de ideeën en artikelen die ik de afgelopen jaren in het rond heb geslingerd anderen hebben geholpen, geïnspireerd, gesterkt in hun overtuiging. Alles bij elkaar draagt het bij aan de overtuiging dat ik een verhaal te vertellen heb en dat ik de ruimte en mogelijkheid heb om dat verhaal op mijn manier te vertellen.

Hypeocratie wordt daarmee het meest persoonlijke boek. Het is mijn verhaal, mijn gedachten over een onderwerp waar filosofische- en wetenschappelijk onderlegde giganten over hebben nagedacht en geschreven. Hypeocratie wordt een verhaal, een verzameling studies, een collectie gedachten en thesen, dat -meer dan mijn voorgaande publicaties- gestuwd wordt door een persoonlijk onbehagen.

Persoonlijk onbehagen

Misschien is ‘onbehagen’ wel vaker de motorolie van een schrijver. Hoeveel journalisten zijn niet met een onderzoek begonnen vanuit gevoelens van twijfel, irritatie, boosheid of teleurstelling? De keuze van een onderwerp is mijns inziens maar zelden waardenvrij. Ik heb er ook geen moeite mee om persoonlijk onbehagen te gebruiken als bron van inspiratie. Ik weet wel zeker dat tal van columns en artikelen over het open ICT-beleid van de Nederlandse overheid zonder onbehagen, boosheid en irritatie nooit geschreven zouden zijn. Onbehagen schept afstand, zet op scherp en roept vragen op.

Hypeocratie komt mede voort uit mijn onbehagen, samengevat in de vraag: “Wordt mijn leven niet te veel beheerst, in beslag genomen, gedomineerd door de technologie die ik gebruik?”. Ben ik ‘in control’ of is technologie dat? Regelmatig resulteert dit in een neo-luddiete periode waarin ik wil afkicken van mijn technologieverslaving. Zeg maar, even anti-technologisch ontslakken. In zo’n periode lees ik fysieke boeken in plaats van digitale boeken, gebruik ik de computer nauwelijks, negeer ik mijn e-mail en sociale media accounts, et cetera.

Een tweede bron van onbehagen is de bijna instinctieve afkeer van hypes, van welke hype maar ook. Zodra iets populair wordt, haak ik af. Mijn eerste boek: “Probleemloos overstappen op Linux” had niet voor niets geen verwijzing naar Ubuntu in de titel. Ubuntu werd, mijns inziens, veel te veel gehyped als dé Linux distributie en dat was voor mij al reden genoeg om het niet te gebruiken voor het boek. Dankzij Jos Herni, die later helaas moest afhaken als co-auteur, werd het toch Ubuntu. En schreef ik vervolgens een reeks boeken over Ubuntu, waarmee maar weer duidelijk wordt dat mijn instinctieve afkeer inconsistent gedrag niet in de weg staat. Iets soortgelijks gebeurde begin 2012 met de iPad. Al werkende aan het boek: “Bring your own device. Toepassing voor werkgevers en professionals” besefte ik dat ik een tijdje met een iPad moest spelen om een goed idee te krijgen van het waarom van dit fenomeen. Maar ik was eigenlijk niet van plan zo’n tablet aan te schaffen, zag daar de meerwaarde niet van in en had ik forse bezwaren tegen het gesloten model van Apple. Met de grootst mogelijke tegenzin schafte ik een iPad 2 aan, en ben ik inmiddels vergroeid met mijn tablet! Een fors deel van het werk aan Hypeocratie wordt op de tablet gedaan. Is mijn instinctieve afkeer dan niet juist? Of helpt het mij juist om een gezonde afstand te houden en vervolgens technologie op haar werkelijke waarde te beoordelen?

Hoe dan ook, ik heb een ambivalente, inconsequente houding ten aanzien van de technologie in mijn leven. Het helpt mij om vragen te stellen, te twijfelen over de claims van de hogepriester van de Hypeocratie, over de gouden bergen en de fantastische toekomst die een nieuwe gadget, revolutionaire technologie of applicatie X van bedrijf Y voor ons in petto heeft. Deze vragen en twijfels hebben geresulteerd in thesen, die vervolgens hun weg vonden naar artikelen en lezingen. Om er vervolgens achter te komen, dat mijn onbehagen ook het onbehagen was, is, van vele anderen. Dat alleen is al voldoende om Hypeocratie te schrijven.

Ieder boek is pretentieus

Ik zou ieder boek bijna per definitie pretentieus willen noemen. Zelfs in een tijdsgewricht waar content vooral online lijkt te moeten staan en waar uitgevers en boekhandels worstelen met de digitalisering van hun marktwaar, draagt een fysiek boek bij aan een soort mystificering van iemands status. Met een boek ben je schrijver. Een zelf uitgegeven boek ligt -qua gevoel- weer anders, want dan moet je toch echt een stevig succes laten zien en lijkt de status pas te komen zodra het boek voor ‘eggies’, door een uitgever nog een keer wordt uitgegeven of bij de uitgever het vervolg kan uitbrengen. Eigenaardig, want de hoeveelheid werk is hetzelfde.

Een boek is ook pretentieus, want het veronderstelt dat ik genoeg te vertellen heb dat interessant is, dat dit meer is dan ik in een of meerdere artikelen zou kunnen vatten. Een blogartikel is vluchtig, een tijdschriftartikel een mooie afdruk van de voortglijdende werkelijkheid, een boek pretendeert een blijvende waarde, een waarde die de tand des tijds zou moeten overleven. De ramsj is mijns inziens het kerkhof van deze pretentie. In Nederland is het schrijven en publiceren een professionele hobby. Een hobby, want van de verkoop van boeken kun je als schrijver niet leven. Sterker nog, in de meeste jaren moest ik geld toeleggen omdat de kosten hoger lager dan de opbrengsten. Het is een professionele hobby, want de uitgever verwacht wel dat het boek voor hem inkomsten genereert en daarom moet je tijd en energie steken in de kwaliteit, in het halen van de deadlines en in de (gratis) promotie. Kortom, voordat een boek in de handel komt is er een boel tijd, geld en creatieve energie in gaan zitten. En dus wil je geen risico lopen.

Nederland is het land van de ‘how to’-boeken. We hebben het graag compact en praktisch, met handvatten en stappenplannetjes. Met meer doorwrochte studies hebben we niet veel op. Boeken die meer op het ‘waarom’ ingaan, die los staan van de waan van de dag, dat zijn de boeken die je minder dan een jaar na publicatie al in de ramsj of op een boekenbeurs zit liggen voor een fractie van de oorspronkelijk prijs. Ik vind het altijd een beetje triest om al die stapels prachtige boeken te zien, te beseffen dat iemand daar zijn of haar ziel en zaligheid in heeft gelegd, beschikbaar voor een dumpprijs in hoop toch nog een waarderende lezer te vinden. Wil je het kerkhof van de niet waargemaakte pretentie vermijden, dan moet je geen ‘waarom’-boek schrijven, maar een ‘hoe’-boek.

De pretentieloosheid van Hypeocratie

En toch kies ik er voor om geen ‘hoe’-boek te schrijven over de technologische trends die de komende jaren op ons af komen. Het is prima te doen hoor en ongetwijfeld verschijnen dit jaar en volgend jaar goede publicaties over elk van deze trends. Ze worden geschreven door mensen die hun onderwerp door en door kennen. Dus, als het onderwerp je bevalt en wil je er mee aan de slag, koop vooral dat boek. Hypeocratie wordt het boek waarvan ik hoop dat je het gaat lezen. Ja, ik bespreek ook de verschillende technologische trends, inclusief ontwikkelingen die op maar weinig radarschermen zijn verschenen, maar ik ga vooral in op het waarom van die trends, op de bredere inbedding van de trends. Hypeocratie wordt niet een makkelijk verhaal, al probeer ik er wel een vlot leesbaar boek van te maken. Met de ‘hoe’-boeken in de hand kun je snel aan de slag met het uitgeven van je geld om te investeren in de belofte, met Hypeocratie in de hand kun je je bijvoorbeeld eerst afvragen hoe hard die beloften eigenlijk zijn.

Met Hypeocratie heb ik de pretentie dat ik je aan het denken kan zetten: over de technologische trends, over bredere maatschappelijke en historische ontwikkelingen, over digitale geletterdheid, over jouw eigen inconsistente houding ten aanzien van vraagstukken waar technologie een rol speelt. Ik heb niet de pretentie de ultieme antwoorden op die vragen te geven. Hypeocratie geeft straks geen eenvoudige handvatten. Simplificering en reductionisme van complexe fenomenen zijn onderdeel van de hypeocratie. Ik heb de pretentie dat je dat aan het eind van het boek begrijpt en dat je blij bent met een meer prismatische kijk op de werkelijkheid om je heen.

Met dit alles is Hypeocratie misschien het meest pretentieuze en meest pretentieloze boek dat ik ga schrijven.

Hypeocratie, een open schrijfproces

Standaard

Zoals op mijn biografiepagina staat heb ik mijn wortels diep in het ‘open’ gedachtegoed geslagen. En -voor alle duidelijkheid- dat gedachtegoed dringt absoluut door in de wijze waarop ik Hypeocratie benader en zal schrijven. Wat betekent dit, mijns inziens, voor de ‘open schrijver’?

Op de eerste plaats probeer ik zoveel mogelijk inzicht te geven in het bronnenmateriaal dat ik verzamel en al dan niet gebruik. Ik gebruik een erg ruim sleepnet om artikelen, whitepapers, onderzoeken en wat dies meer zijn te verzamelen over een reeks onderwerpen. Google Reader is (tot 1 juli althans) mijn grote vriend, in combinatie met altijd geduldige Evernote. Wat ik heb verzameld, en nog steeds verzamel staat in een een aantal gedeelde notitieboeken:

Je ziet, het is een aardige lijst onderwerpen en sommige notitieboeken bevatten inmiddels honderden artikelen. Het enige criterium voor het opslaan van de artikelen is dat ik denk dat het interessant is om te bewaren, waarbij (disclaimer) het niet zo is dat ik dan automatisch akkoord ben met de wijze waarop het onderwerp is besproken, de toon die wordt gebruikt, de conclusies die zijn getrokken. Alle rechten en verantwoordelijkheden blijven bij de oorspronkelijke schrijvers en publicisten.

Naast deze artikelen heb ik een -nog groeiende- stapel boeken en PDF-jes van onderzoeken en andersoortige publicaties.  Ik zal proberen een lijst bij te houden van het materiaal dat is gelezen. Op deze site komen so wie so artikelen over het bronnenmateriaal en welke conclusies ik daarbij trek ten aanzien van Hypeocratie.  Deze artikelen zijn de indexkaartjes van het boek.

Op deze site komen vervolgens nog twee andere soorten artikelen, namelijk columns over actuele onderwerpen die -mijns inziens- verband houden met Hypeocratie en halffabrikaten van onderdelen uit het boek. Een van de uitgangspunten van de open source software-ontwikkeling is ‘release quick, release often’: stel zo snel mogelijk versie van de software beschikbaar, zodat anderen er mee kunnen werken en hun feedback kunnen geven. Het schrijven van een boek als dit is, voor mij althans, een zoekproces en een groeiproces. Welke onderwerpen zijn uiteindelijk relevant? Waar moet ik onderwerpen gaan schrappen? Welke kant wil ik op met een thema? En is dit wel vol te houden? Waar wijst het bronnenmateriaal naar toe? Ik heb er geen moeite mee om dat proces online te zetten, al heeft dat het risico dat het soms wat warrig en tegenstrijdig kan overkomen. Dat moet dan maar. Het voordeel is dat jij, als lezer, het proces kan volgen en je alle ruimte hebt om mee te werken.

Alle artikelen, grafische materialen en content op deze site stel ik onder een Creative Commons-licentie beschikbaar, namelijk de Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen licentie. Waarom deze licentie?

  • Ik wil graag hergebruik stimuleren en onder deze licentie mag je de content (in de brede zin van het woord) zonder problemen gebruiken voor scripties, niet-commerciële presentaties of niet-commerciële herpublicatie op websites of in andere boeken die onder dezelfde licentie beschikbaar zijn gesteld.
  • Het enige dat ik dan vraag is dat je mijn oorspronkelijke auteursschap erkent en daar een vermelding vermaakt, conform het model dat onder aan deze pagina staat.
  • Bij hergebruik moet je het materiaal onder dezelfde voorwaarden verspreiden.
  • Waarom de bepaling NietCommercieel? De bepaling NietCommercieel betekent dat je het materiaal van deze website niet mag gebruiken om er direct of indirect geld mee te verdienen. Krijg je betaald voor een lezing of presentatie en denk je: “Hé, die afbeelding van Jan past daar goed bij”, dan mag je die afbeelding pas gebruiken nadat je met mij contact hebt opgenomen. Lees je een column of artikel en wil je die in een boekje, folder o.i.d. plaatsen dat je wilt verkopen, idem dito. Geef je het boekje gratis weg in het kader van een betaalde training, idem dito. Wil het het artikel integraal plaatsen op je website en breek ik mijn nek over advertenties op die site, idem dito. Dit is geen limitatieve opsomming, krijg je direct of indirect geld voor het gebruik van mijn materiaal of ben je een bedrijf, neem dan voor alle zekerheid gewoon even contact op.
  • Waarom dan de bepaling NietCommercieel? Ik geef zelf graag trainingen, lezingen en presentaties over deze onderwerpen en dat betekent dat ik mijn materiaal naar alle waarschijnlijkheid op de een of andere manier commercieel ga uitventen. Het recht om dat te doen hou ik dan graag bij mijzelf :-).

Creative Commons-Licentie
Hypeocratie online van Jan Stedehouder is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.
Gebaseerd op een werk op https://hypeocratie.wordpress.com.

Ethisch gemankeerd?

Standaard

Een van de leidende vragen voor “Hypeocratie” is: “Waarom begrijpen wij technologie niet?”. Het is een wat vage vraag en het is riskant om een container als ‘technologie’ te gebruiken. Maar goed, het boek is ook nog niet af. Eén antwoord vond ik vorige week in het boek “Technopoly” van Neil Postman. Geen nieuw boek (jaartal), maar zo’n beetje tot het voorlaatste hoofdstuk resoneerde Technopoly erg sterk met gedachten en meningen die ik in de loop der jaren heb gehad en ontwikkeld. Een van Postman’s centrale thesen is dat ‘we’ het ethisch en historisch bewustzijn zijn kwijtgeraakt waarmee we technologie kunnen duiden en op een verantwoordelijke manier gebruiken (in een ander artikel ga ik hier wat dieper op in). En dan komt het bericht voorbij over het College van Bestuur van de HvA dat letterlijk de stekker trok uit de 3D-printer waarmee docenten bezig waren om een pistool af te drukken. Dit laatste omdat ze een discussie met de studenten wilden uitlokken over de ‘vrijheid van informatiedeling’. Het ‘nou nou’ was hoorbaar. De docenten werden -voor even- helden en voorvechters van de vrijheid. Mijn reactie -duidelijk geïnspireerd door Technopoly- was een andere.

A pair of 12" guns -- Broadside of HMS DREADNOUGHT -- the all big gun warship  (LOC)

Over nut en noodzaak van ethische discussies rond nieuwe technologie ben ik het snel met je eens, maar is het nodig om een pistool af te drukken om een discussie te beginnen over de ethische grenzen en risico’s van 3D printen? Moet je dan ook eerst een juwelier beroven alvorens een ethisch-juridische discussie over de beginselen van het strafrecht te mogen beginnen? Daar ben je dan mooi klaar mee als criminoloog of strafrechtgeleerde.

Trouwens, gaat het wel over de ethische grenzen en risico’s van 3D printen? Is de technologie dan het probleem? Ja, nieuwe -en oude- technologie kan onethisch en onverantwoord worden gebruikt, maar ik ben geen aanhanger van het idee dat technologie ‘in zichzelf’ bezield kan zijn met goede en/slechte eigenschappen. We hebben het toch ook niet over de ethische grenzen en risico’s van een botermesje? Tenzij je toezicht moet houden op een groep psychopaten.

De HvA-case maakt, mijns inziens, wel zichtbaar dat -als het gaat om technologie- de grens tussen gezond verstand en psychopathie makkelijk overschreden kan worden. Een ethisch gemankeerde digibeet kan met een 3D printer inderdaad makkelijk een wapen maken en vervolgens symbool van de ‘Nou nou’-vrijheid worden. (Heeft ‘De Wereld Draait Door’ al gebeld?) Onder normale omstandigheden mag je in Nederland geen wapen bezitten, ook niet om een discussie uit te lokken. Een gemiddelde puber die even stoer met een wapen poseert, dat fotografeert en op Facebook zet, kan direct een arrestatieteam verwachten. Jazeker, in het tijdperk van het internet is het geen enkel probleem om met een niet al te snuggere zoekopdracht de instructies te vinden voor het maken van een IED of vuile bom. Maar – en zo vreemd is het toch niet- we behandelen het maken van een wapen niet in de les Metaalbewerking en staan tijdens Scheikunde niet al te lang stil bij het maken van een bom met diesel en kunstmest. Dus tijdens welke les zouden het afdrukken van een pistool wel kunnen rechtvaardigen? Zijn de studenten van de betreffende opleiding dan niet in staat om een beetje slap te ouwehoeren over ethische vraagstukken zonder enig visuele en tactiele hulpstukken?

Ja, helaas, we leven in een wereld waar hele handige jongens (en meisjes) van een elektrisch scheerapparaat een vuurwapen kunnen maken (of een tatoeage apparaat). Een gemiddelde PI heeft een leuke collectie van dergelijk huisvlijt en technisch kunnen liggen.En ja, er zullen nog wel meer mogelijkheden opduiken met 3D-printen waar we ons maatschappelijk ernstig zorgen over gaan maken. Dat vraagt een zinvolle discussie, niet over de technologie ‘an sich’, maar over de vraag of wij in staat zijn een helder ethisch kompas te houden.

Begrijp jij de hypeocratie?

Standaard

“Is het een hype of is het een blijvend fenomeen?” was een van de meest gestelde vragen tijdens en na het schrijven van het boek Bring your own device. Toepassing voor werkgevers en professionals. Het werk aan het boek begon ruim genoeg voordat de technologiesites en meer algemene nieuwssites en bladen het onderwerp echt op de radar kregen. Ik kreeg een vrij goed beeld van hoe het denken over BYOD zich vervolgens ontwikkelde, van de gouden bergen over flexibiliteit, kostenbesparingen en productiviteitswinsten naar de doemscenario’s rond datalekkages, datadiefstal, privacy-valkuilen en gierend uit de hand lopende kosten. En waar die verhalen hun oorsprong vonden: de consultants, de analisten, de leveranciers. Het werd zichtbaar hoe de verschillende media het onderwerp oppakten, het verschil tussen originele content, copy/paste-journalistiek en aangeleverde reclameberichten. Ten slotte, ook niet onbelangrijk, zag ik hoe die verhalen landden bij bedrijven, organisaties en individuen. Ik had al het idee om een boek te schrijven over digitale geletterdheid en de vraag: “Waarom begrijpen wij technologie niet?” in het licht van op ons af komende technologietrends. Dat boek zou Understanding the Technology Barrier, and how to break through moeten worden. Het was lang zoeken naar de juiste vorm, want ergens vielen de verschillende puzzelstukken nog niet op de juiste plaats. Tot deze week.

Het volgende boek gaat Hypeocratie heten, een samentrekking van hype en cratie, ‘krateo’, het Griekse woord voor heersen, regeren. Het beschrijft mijns inziens goed het fenomeen waarbij ‘wij’ voortgestuwd worden van de ene naar de andere technologietrend, hoe -op zichzelf genomen wellicht waardevolle-  innovatie  door de slagroomklopper wordt gehaald door het samenstel van direct belanghebbenden en uiteindelijk de vraag: “Moeten we hier iets mee doen?” onbeantwoord wordt vervangen door: “Waarom hebben we dit niet eerder opgepakt”. Ja, in het achterhoofd weten we dat de beloofde gouden bergen altijd tegen zullen vallen, dat het uiteindelijk zeker meer zal kosten dan beloofd en dat het eindresultaat toch niet is wat we ervan hadden verwacht. Maar het belet ‘ons’ niet om vroeg of laat met beide benen in de hype te springen en ons aan het handje te laten nemen door de volgende ‘evangelist’ die voorbij komt.

Ik zal in Hypeocratie niet al te veel naar het verleden kijken, maar eerder naar de trends die de komende periode op ons af komen. Wat zijn de zin en onzin van die trends en waar is het hypeocratische complex al mee bezig om de volgende hype te creëren? Waarom lijkt dit de reguliere ‘modus operandi’ te zijn van IT-gerelateerde trends? Wat is nodig om een gezonde kritische afstand te bewaren en door de prachtige whitepapers, presentaties en ‘objectieve’ berichtgeving heen te prikken? En ja, dan komen digitale geletterdheid en het paradigma van radicale individualisering van ICT ook voorbij.

Hypeocratie gaat verder dan trendwatching. De komende trends zijn -op zich boeiende- cases voor het schetsen van het fenomeen en het aanreiken van concrete handvatten. Ik zal deze website gebruiken om het onderzoek voor het boek vast te leggen in -naar ik verwacht- een stevige collectie artikelen. De verschillende trends gaan zeker voorbij komen, al dan niet voorzien van mijn mening en duiding. Het theoretische raamwerk wordt online opgebouwd. Net als bij het BYOD-boek ga ik op zoek naar verhalen uit de praktijk, via interviews, en leg ik dat vast.

Voel je vrij om het proces te volgen en actief bij te dragen door artikelen te becommentariëren, suggesties te doen voor nieuwe content en jezelf en anderen aan te bevelen voor een interview. Het is de bedoeling om eind 2013 Hypeocratie uit te brengen als boek.